Mijn oma’s keukentafel. Tussen de tropische planten, de verwarming op 24 graden en aan de muur zwartwit foto’s van imposante huizen tussen palmblad. ‘Waarom praat je nooit over vroeger?’ haalde ik me in mijn hoofd te vragen. Zij antwoordde zoals ze dat wel vaker deed: Tja, waarom? Waarom zijn de bananen krom, nou goed. Als kind won mijn loyaliteit het van de nieuwsgierigheid. Over sommige dingen sprak je niet. Zeker niet tegen mensen met open wonden.

Wat haar verleden voor mijn oma betekend moet hebben durfde ik pas na haar dood te onderzoeken, daarvoor was het simpelweg verboden. Ik begon mijn zoektocht bij de gruwelijkheden die mijn familie tijdens De Tweede Wereldoorlog in Azië heeft moeten doorstaan, zowel binnen als buiten de kampen. Misschien omdat de oorlog het meest spastische onderwerp was thuis of omdat het tijdens de geschiedenisles het eerste moment tekende waarop ik me anders voelde, omdat mijn verhaal niet overeenkwam met het verhaal van mijn klasgenoten met Nederlandse grootouders. Een gevoel van anders zijn dat ik als wit persoon op een witte school tot dat moment helemaal niet kende: het privilege dat ik heb ten opzichte van mensen van kleur met een migratieachtergrond; zij zijn niet in de gelegenheid hun achtergrond te negeren, omdat onze maatschappij dat helemaal niet toestaat. Ik ben een tussen-wal-en-’t schip-Indo. Indische mensen kunnen het aan mij zien, Nederlanders hebben geen flauw idee. Soms hoor ik bij de een, soms bij de ander. Ik kom in principe overal mee weg.

Toch vertelde een psycholoog mij dat mijn afkomst en het lijden van mijn voorouders direct effect op mij had. Zo zou ik, net als mijn oma, ontworteld zijn. Nou, dát zinde me wel, die slachtofferrol, dus identificeerde ik me met mijn oma’s leed, en loste op waar zij nooit aan mocht beginnen. Een cadeau voor iedere schrijver: kijk deze millennial het zwijgen eens doorbreken? Bravo!

In 2021 kwam mijn roman Zachtop lachen uit. Een verhaal over een ontwortelde getraumatiseerde oma en haar brutale door een ongeluk getraumatiseerde kleindochter. Beide vrouwen, en ook de moeder ertussen, overschreeuwen om te kunnen zwijgen: ding, ding, ding! Voilà, intergenerationeel kassa*

*trauma.

Intergenerationeel trauma.

De waarheid is trouwens veel minder zwijgzaam en ‘slachtofferig’ dan het stigmatiserende ‘Indisch zwijgen’ waar ik in mijn boek mee te koop loop, alleen kwam me dat niet zo goed uit.

De waarheid is namelijk dat mijn overgrootmoeder samen met Tante Netsja, wat helemaal geen echte tante was, maar in Indo-gezinnen is iedereen je tante dus Tante Netsja én mijn overgrootmoeder, de hele godganse boel luidkeels bij elkaar hebben gelogen toen ze in Nederland aankwamen.

Omdat hun mannen waren omgekomen in kampen moesten zij voor het eerst in hun leven aan het werk. En ze wilden wel een goede baan, niet ergens onderaan die maatschappelijke ladder die ze maar al te goed kenden van de voormalige kolonie. Alleen waren de kaarten in Nederland anders geschud voor deze twee deftige Indisch ogende vrouwen. Ze losten het als volgt op: Tante Netsja beweerde allerlei diploma’s op zak te hebben, die waren natuurlijk achtergebleven in Indië, en ging bluffend aan het werk bij een verzekeringsmaatschappij. En mijn overgrootmoeder had na de oorlog zo’n bloedhekel aan mannen, dat zij verzon opgeleid te zijn in de huidtherapie en cosmetica branche.

Dit verhaal vertel ik graag op scholen, wanneer er wordt gevraagd waarom ik schrijver ben geworden. Liegen en verzinnen zit nou eenmaal in mijn DNA. Kijk, hier komt het me wel weer goed uit.

We pikken de krenten die onze identiteit opfleuren; heeft mijn verhaal een slachtoffer nodig? Hallo tweede wereldoorlog, migratie, discriminatie. Liever toch een held? Hallo tante Netsja de verzekeringsspecialist!

Je zou ook kunnen zeggen dat al die trauma’s van mijn voorouders mij geen windeieren hebben gelegd. Of zoals mijn broertjes het altijd even tactvol weten te omschrijven als ik weer ergens heb opgetreden: Weer lekker lopen cashen over de rug van oma, Malou?

En dat klopt.

Maar Zachtop lachen was slechts het begin van een zoektocht.  Wat als die zoektocht je op een later moment ook anders naar je eigen boek laten kijken?

Door de centralisering van de Tweede Wereldoorlog stapte ik bijzonder roekeloos over de complexiteit van driehonderdvijftig jaar gewelddadige koloniale bezetting heen, en daarbij over het feit dat mijn familie ook onderdeel was van dat racistische systeem. Wat zegt de geschiedenis over de positie van de ‘Indische Nederlander’ ten opzichte van de oorspronkelijke bewoners van Indonesië, die al honderden jaren onderdrukt werden?

Praten over de positie van mijn familie voelt als koorddansen: zoeken naar evenwicht tussen voortschrijdend inzicht, en hoe dit nooit mag afdoen aan de pijn van de ander, maar tegelijkertijd ook niet kan worden ontkend.

We identificeren onszelf graag met onze voorouders, mits het helden of opgekrabbelde slachtoffers zijn. Maar wanneer goed of fout grijs gebied is, naast elkaar bestaat, beroepen we ons toch liever op ons zwijgrecht.

Zo ervaar ik de term intergenerationeel trauma inmiddels ook, als grijs gebied. Ik heb er een haat-liefdeverhouding mee. Ik lees steeds vaker over mensen die vastlopen in het leven omdat ze ‘iets’ voelen. ‘Iets’ ongrijpbaars wat groter voelt dan zijzelf, dus het moet wel uit een vorige generatie komen. Zover ze lijken terug te kijken, zo minimaal is de oprechte interesse naar hun voorouders. Ze cultiveren het slachtofferschap, zetten zichzelf centraal en daarmee is de kous af. Wat overblijft is een bittere nasmaak van ongepaste toe-eigening van een geschiedenis waar we soms maar deels interesse in hebben, omdat het ons goed uitkomt.

Maar hoe dan wel? In het boek Het blijft toch je familie van Haroon Ali, stuitte ik op een term van psycholoog Tjin A Djie, die de derde generatie omschrijft als ontregelaars. Zo’n mooi woord: ontregelaars. Ik wil een ontregelaar zijn die de pijn probeert op te ruimen, door vragen te stellen. Ook als de antwoorden mij niet goed staan.

Dus misschien is dat het wel. Om aanspraak te maken op een trauma van je voorouders moet je bereid zijn zo’n ontregelaar te zijn. Opruimen eindigt niet bij slechts een kamer, zoals een zoektocht niet stopt bij een eerste boek. Daarbij mag ik een ding nooit vergeten: ik kán een ontregelaar zijn omdat ik de vrijheid heb om zonder open wonden naar het verleden te kijken. En dat heb ik toch aan hen te danken. Aan mijn zwijgende, leugenachtige, en vooral bloedeigen familie.

Deze column sprak Malou Holshuijsen uit bij de presentatie van Haroon Ali’s nieuwste boek ‘Het blijft toch je familie’ op 25 november in de Aula van de Lutherse Kerk

Beeld: Photo by Boston Public Library on Unsplash

Gerelateerde artikelen