Politiek op de Afrika Cup
De ministeries van individuele landen zijn in het Afrikaans voetbal heel belangrijk, omdat ze vaak de nationale voetbalbond sponsoren. De politiek verwacht daarmee ook een bepaalde zeggenschap, waardoor al vanaf de eerste editie van de Afrika Cup in 1957 de politiek doorwerkt in het voetbal.
Tijdens die eerste editie waren de meeste Afrikaanse landen nog gekoloniseerd. Een erfenis van die koloniale periode zijn de rechte, opgelegde grenzen die dwars door de volkeren op het continent lopen. Nadat de Afrikaanse landen onafhankelijk werden, moest het volk verenigd worden als natiestaat. Voetbal speelt bij het dekoloniseren, het verbinden van de bevolking en het construeren van een nationale identiteit een belangrijke rol. De nieuwe leiders gebruikten het spel om nationale onafhankelijkheid en soevereiniteit internationaal zichtbaarder te maken.
Tegelijkertijd was de Afrika Cup ook een podium voor Afrikaanse landen om zich uit te spreken tegen de Apartheid in Zuid-Afrika. Dat land wilde namelijk alleen raciaal gescheiden teams naar internationale wedstrijden te sturen, een volledig wit team of een volledig zwart team. De andere drie deelnemers, Egypte, Sudan en Ethiopië, wezen dit af. De CAF besloot daardoor Zuid-Afrika uit te sluiten van de Afrika Cups van 1957 en 1959, en later te schorsen.
De Afrika Cup wordt in de decennia daarna door verschillende politici gebruikt om macht uit te oefenen. Zo investeert de oud-president van het toenmalige Zaïre (het huidige DR Congo), Mobutu, in zijn eerste jaren flink in het voetbal om het volk te mobiliseren, zijn invloed op het continent uit te oefenen en ziet hij de voetbalsuccessen als een vorm van revanche op de voormalig kolonisator België. De investeringen betalen zich uit: een talentvolle selectie wint de Afrika Cups van 1968 en 1974. Nadat het team echter op het WK van 1974 teleurstelt, wacht hen een ijskoude ontvangst op het vliegveld, een preek van Mobutu en een leven in armoede.
Politici gebruiken de prestaties van nationale teams als instrument om de bevolking te kalmeren. Zo krijgt het Mubarak-regime in Egypte het steeds moeilijker aan het begin van de 21e eeuw. In december 2005 zijn er parlementsverkiezingen, waarvan de uitslagen worden betwist. Een maand na de omstreden verkiezingen is Egypte gastheer van de Afrika Cup. Op zoek naar iets wat zijn populariteit zou kunnen vergroten en het land zou kunnen verenigen, wendt president Mubarak zich tot het voetbal. Het was een strategie die al eerder langzaam op gang was gekomen. De president begint de finales van de Afrikaanse clubtoernooien met Egyptische topclubs bij te wonen, bezoekt de trainingskampen van de nationale ploeg en ontvangt de winnaars van toernooien op het vliegveld. De regeringsgezinde media helpen dit onder de aandacht te brengen; ze presenteren de aanwezigheid van de president tijdens voetbalevenementen als een boost voor de betrokken teams. Egypte wint de edities van 2006, 2008 en 2010, waardoor het volk aan de vooravond van de Arabische revoluties in 2011 voor even afgeleid is.
Het voetbal is ook een manier om een land op het mondiale toneel te presenteren. Zo organiseert Marokko de huidige editie van de Afrika Cup als generale repetitie voor de organisatie van het WK van 2030 (samen met Spanje en Portugal). Deze editie lijkt organisatorisch de beste Afrika Cup ooit te worden met de mooiste stadions, de beste velden en de meeste keuze aan goede hotels op het continent. Tegelijkertijd maakt Marokko een succesvolle voetbalperiode door met een 4e plaats op het WK van 2022, een bronzen medaille tijdens de Olympische Spelen en het winnen van het WK voor voetballers jonger dan 20 jaar. Dat betekent echter niet dat iedereen enthousiast is over de organisatie van een deel van het WK van 2030. In september 2025 gingen jongeren de straat op om te protesteren tegen de huidige staat van de zorg, het onderwijs en werkgelegenheid. Deze Gen Z jongeren, onderdeel van een wereldwijd protest van jongeren, zien liever dat het geld wordt geïnvesteerd in sociale voorzieningen dan in WK-stadions.
Tien spelers uit het Nederlandse clubvoetbal doen mee aan de huidige editie van de Afrika Cup. Deze voetballer staan in een decennialange traditie waarin al meer dan honderd voetballers uit de Nederlandse competities Afrikaanse landen op de Afrika Cup of andere grote toernooien vertegenwoordigden. Daarnaast waren verschillende Nederlandse coaches namens Afrikaanse landen actief. De grootste successen werden behaald door Clemens Westerhof (Afrika Cup 1994 met Nigeria) en Jo Bonfrère (Olympische Spelen 1996 met Nigeria). Nederlandse grote namen die een Afrikaans land hebben gecoacht zijn Clarence Seedorf (Kameroen), Ruud Krol (Tunesië en Egypte) en Vera Pauw (de vrouwen van Zuid-Afrika). Het boek De voetbalkampioenen van Afrika bevat portretten van voetballers, oud-spelers en trainers met een Nederlandse connectie, en van 11 Afrikaanse landen een overzicht van voetballers uit de Nederlandse competities die op een Afrika Cup hebben gespeeld.
De lange en enerverende geschiedenis van de Afrika Cup zorgt voor een rijke voetbalcultuur, waarin de politiek door grote investeringen en zeggenschap een dominante rol speelt. De voetbalsuccessen brachten in verschillende Afrikaanse landen grote eenheid die door de politiek gebruikt werd voor eigen belangen, zoals het mobiliseren van de bevolking, afleiden van binnenlandse problemen en profileren in de internationale gemeenschap.