Deze column werd voorgedragen door Alma Mathijsen tijdens het programma ‘Een ode aan Willem Elsschot’.

Het is de iets aangepaste versie van het nawoord dat Alma Mathijsen schreef voor een heruitgave van Elsschots kleine roman Een ontgoocheling (Polis/Pelckmans, 2017)

Het belang van drop arrangeren

‘Ik denk dat u de eerste oogrol uit de Nederlandse literatuur hebt beschreven.’
De schrijver kijkt me onbegrijpend aan.
‘De oogrol?’
Zijn blik blijft onveranderd.‘Tja, wellicht moet ik het uitleggen. Het is inmiddels 2021. De oogrol is op het moment erg aan de hand. Of misschien is de oogrol al over zijn hoogtepunt heen, maar in ieder geval het is een ding.’
Elsschot draait zijn ogen op dramatische wijze van me weg.
‘Dat, wat u net deed. Dat is de oogrol. In 1914 toen u Een ontgoocheling schreef, was het zeker nog niet zo groot. Kunt u zich het moment herinneren?’
Ik vertel door zonder een reactie af te wachten, om hem niet in verlegenheid te brengen.

‘Kareltje wordt door zijn vader zo wat gedwongen om tijdens een potje kaarten met de Lustige Whistspelers te vertellen wat hij later wil worden. Advocaat, zegt hij na lang aandringen. De smerigste van de spelers pakt Kareltje vast bij zijn schedel, vastberaden om hem te laten zweren dat hij zal opkomen voor de zwakken en armen. Als een bankschroef, zo stevig, zo omschreef u het. Kareltje deed het enige wat in zijn macht lag om de blik van de kwijlende naar tabak stinkende man te ontwijken: de oogrol. Voor het eerst in de Nederlandse literatuur. Ik heb het nagevraagd.’
Met een verwrongen gezicht kijkt Elsschot me aan.
‘Ik kan zijn adem nog ruiken,’ zegt hij wrijvend over zijn eigen broekspijpen, misschien om zichzelf van de wederkerende geur af te leiden.

‘Ik hield van Kareltje,’ zeg ik.
Elsschot kijkt op.
‘Werkelijk?’
‘Van top tot teen.’
‘Waarom? Als ik zo vrij mag zijn.’
‘Ik denk dat het te maken heeft met drop,’ zeg ik, ‘en het belang van drop arrangeren.’
Elsschot knikt instemmend, maar niet overtuigd.
‘Ik ken maar weinig mensen die de noodzaak daarvan inzien,’ zegt hij
Ik hou van weinig dingen, maar een ding weet ik zeker: ik hou van drop. Ik heb op alle mogelijke plekken in mijn huis drop verstopt. Uiteraard in de keukenkasten, in de trommel op de bijzettafel, in mijn nachtkastje en een paar voor noodgevallen in de badkamer. Meestal stop ik er één in het zijvakje van mijn tas, alleen vandaag ben ik het vergeten. Elsschot staart voor zich uit, hij lijkt wat onzeker geworden, nu ik daadwerkelijk iets heb gezegd dat hem raakt.
‘Dagboek,’ zegt Elsschot.
Ik versta hem duidelijk, het suist door in mijn hoofd.
‘Wat zei u?’ vraag ik alsnog om zeker te weten dat ik mezelf niet voor de gek hou.
‘Dagboek,’ herhaalt Elsschot. ‘Alles is werkelijk gebeurd.’

‘Bent u wel eens gestorven?’ vraag ik en overval mezelf ermee.

Een kleine glinstering springt in zijn ooghoek.
‘Nog lang niet.’
‘De vader van Kareltje gaat alleen dood in een lege kamer. Dan zegt hij tegen niemand: “Lig ik niet te sterven?” Dat vond ik het mooiste. Ik heb er een krulletje bijgezet. Een man bij wie alles misgaat, die overal later achter komt dan de rest, die vraagt inderdaad of die gaat sterven op het moment dat het al gebeurt. Ook al is er niemand om het te horen. Ik kreeg zin om zelf dingen hardop te vragen. Is dit leven? Is dit hoe het moet? Wat ik nu doe, is dat hoe het hoort? Zulke vragen hoor je niet te stellen, het heeft toch geen zin, want er komt geen antwoord. Of misschien toch wel in het geval van De Keizer, de dood was het antwoord. Die vraag kon ik me zo goed voorstellen. Ik kom overal ook vaak laat achter. Vandaar mijn vraag, als het boek werkelijk een dagboek is, hoe wist u dat sterven zo gaat?’
Elsschot kijkt me verward aan, alsof ik net wartaal heb staan uitkramen.
‘U lijkt het beter te begrijpen dan ik,’ zegt hij, pakt zijn pen op en rommelt opnieuw door zijn documenten.
Even had ik zijn aandacht weten vast te houden, nu ben ik hem weer verloren. Dit keer besluit ik de hint te aanvaarden.
‘Dank voor uw tijd,’ zeg ik en wil me omdraaien.
‘Wacht nog even.’
Ik draai me terug, Elsschot trekt een lade in zijn bureau open.
‘Kom eens.’
Voorzichtig en met enige achterdocht loop ik een halve cirkel om zijn bureau. Elsschot is gaan staan, zijn borst vooruit, zijn ogen op de lade gericht. Daar ligt een dozijn aan dropjes, keurig op volgorde van klein naar groot gerangschikt, ieder dropje in z’n eigen categorie. De kokindjes bij de kokindjes, de gapertjes bij de gapertjes en de griotten bij de griotten.
‘Kies maar.’
‘Dat durf ik niet.’
‘Natuurlijk wel, wat heb ik morgen anders te doen?’
Met een schoolkrijtje in mijn mond loop ik zijn kantoor uit. Aan het einde van de dag heb ik nog steeds een witte tong.

Gerelateerde artikelen