De coronacrisis heeft het openbare leven grotendeels stilgelegd. De stilte die hierdoor is ontstaan werkt vervreemdend, maar biedt ook ruimte om te luisteren naar wat eerder niet of minder goed hoorbaar leek. Om de twee weken vragen wij een denker, maker of schrijver in een geschreven column te reflecteren op de betekenis van stilte, van zwijgen en van spreken.

Mijn beste vriend kan plotseling in huilen uitbarsten als hij denkt aan zijn bank, keukenblok of eettafel, helemaal alleen in zijn kleine studio in Leeuwarden als hij ergens anders is. Of echt huilen is het niet, maar toch overvalt hem een diep verdriet als hij zijn eigen stoel of laptopadapter voor zich ziet die thuis wordt beschenen door het ochtendlicht, het middaglicht, het avondlicht. Stof zweeft door de lucht. Er drupt geen kraan. De voordeur gaat niet open en niet dicht, er wordt geen plaat opgezet, er worden geen schoenen uitgetrapt en alles in de kamer wacht tot mijn beste vriend terug naar huis toe komt.

Het is niet alsof mijn beste vriend denkt dat zijn bed een soort labrador is die zodra hij binnenstapt op hem afstuift en tegen hem opspringt, het verdriet wordt juist veroorzaakt door het tegenovergestelde: zijn verdriet ontstaat doordat zijn spullen daar bewegingloos en doelloos staan, het niet leuk vindend en het niet níet leuk vindend. Het feit dat het zijn meubels niet uitmaakt dat ze even niet meedoen aan het leven, maakt mijn vriend verdrietig omdat het hem zijn wél meedoen doet bevragen.

Hij vertelde mij hierover op een dijk aan de Waddenzee-kant van Terschelling. We speelden die week een straattheatervoorstelling op Oerol, en als we niet met onze act in een drukke winkelstraat stonden, stonden we in een overvolle kroeg tussen belangrijkere acteurs en belangrijkere muzikanten dan wij, die vrolijk en keihard door elkaar heen toeterden. Die avond waren we uitgenodigd op een illegaal feest in een duinpan, maar omdat we het feest eerst niet konden vinden en omdat het feest toen we het uiteindelijk toch vonden net werd ontruimd door de politie, waren we naar de zee gefietst. Ergens moesten schapen staan, want overal lagen verse, zwarte keutels. Het was vloed, want het water klotste tussen opeengestapelde brokken basalt.

Ik keek naar de sterren boven de zee.

Er bestaat een lijst van menselijke spullen die in de ruimte zijn achtergelaten. Veruit de meeste van die spullen liggen op de maan. Je kunt er Amerikaanse vlaggen vinden, al dan niet omgegooid door de motoren van de wegvliegende maanlanders. Er zijn Sovjet-capsules uit de jaren vijftig, moderne Chinese satellieten die er nog geen vijf jaar staan. Er ligt een Bijbel, een zilveren astronautenspeldje, een tweetal golfballen weggeslagen door de astronaut Alan Shepard, een gouden olijftakje om de vrede te gedenken en een foto van het gezin van astronaut Charles Duke. Al die spullen liggen in volledige stilte. De maan heeft geen atmosfeer, het enige dat geluidsgolven zou kunnen dragen is de maan zelf (maar wie kan er nou zijn oor op de spoorrails van de maan leggen als je er constant je helm op moet?). Sommige van de voorwerpen zullen door een nieuwe generatie astronauten niet meer worden herkend, omdat de straling van de zon ze onherkenbaar heeft veranderd. De kleuren op de Amerikaanse vlaggen zijn uit de stof verdwenen.

En terwijl ik met mijn beste vriend en de maan op de Waddendijk zit, overvallen mij uit de hele wereld dingen die bestaan zonder dat ze ooit iemand zien of ooit wéér iemand zullen zien. Een mango in de Amazone die bloem wordt, vrucht wordt, rijp wordt door de zon, op de grond valt en daar wegrot. Het lipje van een blik Fanta dat ergens op de Noordzee van de boot tussen Newcastle en IJmuiden is gevallen en nu al jaren op de bodem ligt. Een stuk glaswol waar een dak mee is geïsoleerd in de jaren tachtig. De kies in een woestijnantilope-schedel, begraven door een zandduin in de Sahara en een plukje Antarctisch sterremos tussen twee ijskoude stenen.

Om een uur of vier ’s nachts klimmen we in het stapelbed. Mijn beste vriend ligt boven mij, hij ademt zwaar in zijn slaap. Ik lig met open ogen onder.
Ik zit op de stoel van mijn vriend aan de andere kant van de Waddenzee, in Leeuwarden.
Ik raap een golfbal op op de maan en poets hem met mijn duim.
Ik pluk de mango en bijt erin.
Ik ben het gezin van Charles Duke, op de foto op de maan en ik word door de zonnestraling langzaam wit.

Gerelateerde artikelen