“Waar zijn dan de vrouwelijke filosofen?” Het is een vraag die ik krijg opgeworpen in de kroeg door een groepje afgestudeerde jonge mannen, tijdens een hevige discussie over de status van de vrouw als denker—een fenomeen waarvan de heren het bestaan sterk in twijfel trekken.

De vrouw, die volgens hen tot minder groots in staat is dan haar mannelijke tegenhanger, is van nature geen denker.  “Kijk maar in de geschiedenisboeken, die zijn er niet, ” volhardt de jongeman. “Die zijn er wél, ” stel ik zichtbaar geïrriteerd, “maar zij mochten hun denken alleen niet onder hun eigen naam uitbrengen. Denk maar aan de vrouw van John Stuart Mill.

Mijn schaamtevolle verwoording—het gebrek aan het paraat hebben van haar naam, Harriet Taylor natuurlijk—toont maar weer hoe wijdverbreid en diepgaand het gebrek aan scholing over waardevolle vrouwelijke bijdragen is—Misschien speelde ook mee dat ik op dat punt al iets te diep in het glaasje had gekeken. “Oké, maar dat is er één” , vervolgt de jongen, “dat weegt niet op tegen al die bijdragen die de man aan de wetenschap, de geschiedenis en de filosofie heeft geleverd. ” De man, denk ik nog, alsof het hier om twee concurrerende categorieën gaat… Maar op dat moment zakt de moed ook een beetje in mijn schoenen. Ook ik ken hun namen niet, al weet ik diep van binnen dat ze er wel degelijk zijn.

Dit gesprek vond plaats tijdens mijn allereerste week als filosofiestudent op de universiteit. Het is toonaangevend geworden voor het verdere verloop van mijn studie. Ik moest en ik zou mij verzetten tegen dit soort seksistische aannames over de status van de vrouw, maar dit keer zorg ik dat mijn verzet anders dan ervoor gewapend is—met bronnen en namen als kanonnen, die niet langer ongezien en ongehoord kunnen blijven.

Het is niet veel later dat ik erachter kom dat ook de structuur van de opleiding filosofie niet altijd even waardevol is voor mijn gewapende verzet. De denkers die ik in het eerste jaar aangereikt krijg, zijn voornamelijk mannelijk. Als troost lazen we dan wel Simone de Beauvoir, maar zij werd in eerste instantie vooral benoemd als “de vrouw van Sartre” , en ook op de diapresentatie verschijnt ze uitsluitend samen met hem op het doek. Nu begrijp ik dat de universiteit, net als iedereen overigens, kampt met tijdgebrek en daarom keuzes moet maken. Die keuzes vallen veelal samen met canonieke denkers: degenen die als waardig filosoof worden geportretteerd en waarmee de schoolbanken gevuld worden—namen als Kant, Plato, Aristoteles, Descartes en Hegel. Het spreekt immers veel meer aan om filosofie te leren van deze ‘grote denkers’ dan van marginale, onbekende filosofen. We kijken immers op naar onze helden en willen daar door middel van onze studie wellicht zelfs een beetje op lijken. Om helden te vormen, hebben we namen nodig, en die namen moeten we zo vaak noemen dat 1 we ze kunnen dromen en moeiteloos kunnen opdreunen op een borrel, zelfs wanneer we een drankje meer op hebben dan de zuivere geest zou aanvaarden. En wat de universiteit aangaat: zij heeft een nog veel belangrijkere taak, omdat zij degene is die ons die helden aanreikt en ons verzet kan versterken of juist afzwakken. Zij dient de canon te herzien en deze diverser te maken en niet alleen de zware mannenstem te laten spreken omdat hij het hardst schreeuwt. Volume is namelijk geen teken van inhoudelijk sterk zijn. De canon zoals die nu is, geeft dan ook een vertekend beeld van de intellectuele prestaties en dwingt ons om helden te kiezen uit een lijst die onvolledig en sterk selectief is.

Een lijst die zich heeft gevormd in een periode die meestal met de term Verlichting wordt aangeduid. Hoe zit dit dan precies? Met de reeks wetenschappelijke revoluties kon de filosofie natuurlijk niet achterblijven en diende zij een wetenschap te vormen die in vorm en methode aansloot bij de natuurwetenschappen. Filosofie kreeg zodoende een zeer beperkt karakter toegeschreven, een karakter dat samenvalt met de pure beoefening van kentheorie. De opkomst van de historiografie in de negentiende eeuw verankerde bovendien dit beeld. De filosofische vertelling werd zodoende neergezet als een progressieve ontwikkeling van kentheoretische activiteit, waarin de mens steeds rationeler werd. Met ‘mens’ werd uiteraard de man bedoeld, want vrouwen werden binnen deze traditie niet als rationele, maar als emotionele wezens gezien en daarmee buitenspel gezet. En zo verdwenen verschillende bezigheden waarmee filosofie van oudsher werd gekenmerkt naar de zijlijn —zoals de meer praktische dimensie van filosofie, waarin vrouwen vanwege de traditionele rolverdeling vaker actief waren. Ik zou dan ook eerder kiezen voor een term als Verduistering in plaats van Verlichting, omdat zij stemmen heeft verduisterd en eveneens gehele delen van de filosofische beoefening heeft genegeerd. Als filosoof vandaag de dag dienen we te onthouden dat de canon die we kennen niet universeel of noodzakelijk is, maar slechts een contingent verschijnsel: het resultaat van een eentonige vertelling. Het is aan ons om de volledige afbeelding in kaart te krijgen.

Daar beginnen we vandaag dan ook mee: met het werk Zorg goed voor je ziel. Daarmee wordt de geschiedenis een stukje completer gemaakt en mijn verzet hoopvol. Het zijn de namen van Cleobulina, Myia, Phintys, Melissa, Hipparchia en Theano—van wie de laatste nu dankzij de #MeToo-beweging met trots haar onderarm kan tonen en niet langer als publiek bezit wordt gezien. Zij vormen de wapens voor mijn verzet. Als ik in het vervolg weer eens een vervelende discussie verzijld raak over de status van de vrouw als denker, kan ik nu zonder aarzeling zeggen: “Hier! Hier zijn de vrouwelijke filosofen!”

 

Deze column werd op 2-12-2024 voorgedragen tijdens het programma: Vrouwelijke Griekse filosofen van Theano tot Hypatia.

Gerelateerde artikelen