Boven mijn werktafel hangt een foto, in blauw op linnen gedrukt. De afbeelding is een detail, haast abstract, het gaat om plooien in de kleding van een standbeeld. Door foto’s kijk je doorgaans heen: hier lijken de plooien die je ziet juist plooien in het linnen zelf, de richting van de foto lijkt te zijn omgekeerd. De fotograaf, Adam Jeppesen, werkt vaker met zulke aandacht voor zijn materiaal. De eerste foto’s die ik van hem zag waren gedrukt op rijstpapier waarin hij vouwen had gemaakt – ineens viel op hoe dun een foto is, welke invloed dat heeft op de indruk die je ziet.

Het zijn foto’s als metaforen. Alledaagse taal voelt doorzichtig, lijkt niks te verbergen, het is moeilijk te zien op welke manier die onze indrukken beïnvloedt. Aristoteles benadrukt, wat dat betreft, de didactische waarde van metaforen. ‘Vreemde woorden zijn onbegrijpelijk’, zegt hij, ‘en we kennen woorden al in hun heersende betekenis. Door metaforen leren we iets.’ Een metafoor is een blije vergissing: door het woordgebruik te verwarren, maak je plaats voor iets dat maar moeilijk kan worden gezegd.

Waar wij ‘letterlijk’ zeggen, zegt Aristoteles dus kyria, ‘heersend’, de heersende betekenis. Een gangbare betekenis is geen vrijblijvend werktuig. Als iemand ‘dier’  schrijft, verzin je geen volstrekt onbekend wezen, ook niet als je niet meteen invult welk dier het is. Bij ‘chirurg’ denken de meeste mensen eerder aan een man dan een vrouw. Een spreker die daar niet op let, zegt minder wat hij wil dan wat hij gedoemd is te herhalen: als je niet oplet, word je door je woorden overwonnen. Letterlijke betekenissen verschillen soms maar weinig van clichés, de afstand tussen vanzelfsprekend en nietszeggend nihil.

Het is een taak die dichter Allen Grossman aan de poëzie toekent, ‘het onderbreken van de continue voortgang van culturele begrippen’. Het waken voor cliché, het ondergraven van stereotypering in de breedste zin van het woord. Een gedicht is niet maar een geval van sierlijk taalgebruik, het gaat om een schorsing, een leerzame verstoring van begrip.

Dat is ook het genot van poëzie. Wat Aristoteles benadrukt aan het begin van zijn discussie van metaforiek: het is lekker om op zo’n manier te leren, de kortsluiting van metaforen is aangenaam. Je vergist je, maar de vergissing lijkt meer te kloppen dan je eerdere begrip, en haast per ongeluk is je greep op de wereld beter geworden, haast moeiteloos zie je scherper. Een metafoor is een gebaar waarmee je het oneerlijke materiaal waaruit taal bestaat zichtbaar kunt maken zonder op te geven, zonder dat je hoeft te stoppen met spreken.

Zo’n opvatting van gedichten is gezond. Niet als een verzameling bekoorlijke plaatjes, maar als gereedschap waarmee je de geest wat opschonen kan. Zelfs als er, tijdelijk, niks achterblijft op de plaats waar je eerst iets dacht te begrijpen. Soms ontstaat er een lege plaats, die het taalgebruik misschien iets ontvankelijker maakt. Geregeld moet ik denken aan de laatste strofe van Rilkes tiende Duino-elegie, waarin hij schrijft over geluk. Ik weet niet of ik me er iets bij voorstel, maar wel dat ik verlang naar wat hij daar zegt, wat het ook moge zijn. Een verlangen dat als metafoor ontstaat:

En wij, die geluk stijgend
denken, voelen de ontroering
die ons haast van streek maakt
als iets gelukkigs valt.

Gerelateerde artikelen