Deze column werd voorgedragen tijdens het programma 'U mag even plaatsnemen. Over ziekte, taal en autonomie.' Het programma is aan de rechterzijde van deze tekst terug te kijken.

1.
Hij ging staan en kantelde zijn heupen. Zijn voeten stonden stevig op de grond en hij wees van onder naar boven in een rechte lijn. ‘Zo staat alles in principe recht op elkaar,’ zei hij. ‘Dan valt het allemaal op z’n plek.’ ‘Ik sta altijd zo’, zei ik, en kantelde mijn heupen naar achter. Ik stond niet recht, en stond met een grote holle rug. ‘Ja, nee, dat is niet.. ja het is eigenlijk he, eigenlijk een grote fruitschaal.’ Hij maakte een kom met zijn handen ongeveer bij zijn onderbuik. ‘Hier zitten al die organen in, je blaas, nieren, baarmoeder en eierstokken. Als je rechtop staat, liggen die daar zo allemaal lekker in.’ ‘En zo,’ hij kantelde zijn heupen naar achter, ‘gaat het allemaal daarheen, dan geef je het eigenlijk allemaal weg, en richt je het naar buiten.’ Hij wees naar de grond schuin voor zich.

2.
Ik bleef zitten met de fruitschaal. Achter mijn bureau probeerde ik ’m voor te stellen, een grote blauwe, zoals wij er thuis een hebben. Ik probeerde mijn organen bij me te houden als ik stond, ze niet weg te geven aan andere mensen. Ik moet mezelf ook meer bewaren, dacht ik. Het is duidelijk dat dit niet enkel een idee was. Niet slechts een beeldspraak of metafoor voor iets anders, maar dat de fruitschaal zich vertaalde in een gevoel. Dat het een gevoel was, en dat de fruitschaal in mij zat. Doordat ik dat nu wist, kon ik rechter op gaan staan, beter voor alles zorgen. Toch blijf ik ermee zitten. Een lichaam valt nog niet zo makkelijk te rijmen met taal.

3.
Er worden veel uitwegen genomen om over een lichaam te spreken, en in tegenstelling tot wat Susan Sontag graag zou willen, krijgt het spreken over het lijf, of over het zieke lijf, vaak vorm in metaforen. De bekende strijd tegen kanker, die wel of niet gevoerd wordt, of het prikken, steken, zeuren van een pijn. Het is precies tegenover het lichaam dat een metafoor zowel aan betekenis wint als verliest. Want wie zegt dat het niet precies zo voelt, een strijd, het prikken, het ruimte geven van je organen in een rechtopstaande houding. Wie zegt dat deze taal niet meer is dan beeldspraak, maar een concrete uitdrukking van een pijnlijk gegeven.
Tegelijk is het ook juist tegenover het lichaam dat we soms zo ontzettend bewust worden dat een metafoor precies tekortschiet. Dat het dat nou juist niet is: geen fruitschaal, geen strijd, maar een lijf dat zelf de weg weet.

4.
En laat nou juist dit laatste ingewikkeld zijn. Want wat is dan dit zelf, het lijf, dat zelf ‘weet’? Is niet elke vertaling van het lijf in woorden per definitie metafoor, en laat niet deze metafoor zien dat het lichaam bestaat, zoals taal, in relatie tot anderen? Het is zowel voor de ander als voor onszelf dat we ons lichaam vertalen in woorden. Dat het spreken, of schrijven erover een uitweg biedt aan een lichamelijk gegeven. En dat dit spreekt over een realiteit die eerst en vooral met anderen vorm krijgt.

5.
Zo wordt het nadenken over het zelf, en over het lichaam als het zich uitdrukt aan anderen, een nadenken over relationaliteit: iets wat zich juist zo opdringt bij ziekte, wanneer we niet altijd voor onszelf kunnen zorgen. Onze lichamen eindigen niet bij de huid, ‘our bodies don’t end at our skin’ is een uitspraak van Margret Shildrick, die zich bezighoudt met lichamelijkheid, disability en ziekte. Wat we meenemen in ons lichaam zijn anderen. Wat de taal vormt, waarin we ons lichaam vormgeven, zijn de mensen om ons heen.

6.
Taal kent geen autonomie, net zo min als ziekte. Zo laat de fruitschaal zien dat mijn lichaam voelt zoals iemand anders het noemt. Dat dit effect heeft op hoe ik sta, en mijn lichaam ervaar, en dat ik daarmee mezelf openbaar als relationeel wezen.

7.
Een kleine reflectie, beginnend bij een houding, die laat zien dat in hoe ik mij lichamelijk uitdruk, de ander al besloten is.

Gerelateerde artikelen